AMSTELVEEN KAN BETER

Handhavingsplicht - Beleidsvrijheid en -ruimte - Gedogen - Willekeur - Behoorlijk bestuur

Stadspleinregels

http://amstelveen.nl/stadspleinregels  (Deze link werkt niet meer.)

Het college en de gemeenteraad vinden het belangrijk dat het Stadshart voor iedereen toegankelijk is. Daarnaast moet het natuurlijk ook veilig zijn. Zo moeten het Stadsplein en de winkelpassages ten alle tijden bereikbaar zijn voor de hulpdiensten en moeten bezoekers en bewoners er onbezorgd kunnen vertoeven. Om dit te bewerkstelligen zijn een aantal 'regels' opgesteld:

- scooters, brommers en snorfietsen zijn verboden op het Stadsplein
- fietsen mag, behalve tijdens markten en evenementen
- skaters moeten met een ieder rekening houden
- er mag geen (geluids) overlast gemaakt worden
- tweewielers mogen alleen gestald worden in rekken en beugels.

Wanneer zij voor ingangen gestald staan kunnen ze verwijderd worden. Hulpdiensten kunnen hierdoor het gebied of winkelpassages niet bereiken waardoor de veiligheid van bewoners en bezoekers in het geding komt. Eigenaren die hun tweewieler op een andere locatie niet in een beugel of rek stallen lopen kans op een boete.

Handhavers van de gemeente en de buurtregisseur zien er op toe dat de regels worden nageleefd. Bij overtreding kunnen zij een officiele waarschuwing geven of boetes opleggen.


Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Amstelveen

Artikel 2.21 Overlast van fiets of bromfiets

1. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen e.d. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Artikel 2.15 Hinderlijk gedrag op of aan de weg

1. Het is verboden:
a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.

Artikel 2.22 Overlast van (brom-/snor)fiets op pleinen, markt- en kermisterreinen e.d.

1. In deze bepaling wordt verstaan onder een snorfiets: een bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister of het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km/h.
2. Het is verboden zich met een fiets te bevinden op de door het college aangewezen wegen en terreinen waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt.
3. Het is verboden zich met een brom-/snorfiets te bevinden op de door het college aangewezen wegen en terreinen, waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt en door het college daartoe aangewezen plaatsen ter voorkoming van hinder voor wandelend en winkelend publiek.
4. Het college is bevoegd de aanwijzing te beperken tot bepaalde dagen en/of uren.
Artikel 3.3 Overige geluidhinder
1. Het is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor (een) omwonende(n) of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 2.16 Hinderlijk drankgebruik
1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.


“Volgens de rechtspraak moet gedogen aan de volgende voorwaarden voldoen:

- Gedogen dient in beginsel schriftelijk te geschieden;
- Voor een bepaalde, zo kort mogelijke termijn;
- Zo nodig onder het stellen van voorwaarden;
- Na een zorgvuldige procedure.”

(Bron: ‘De gemeente doet niets’, Advocatenkantoor In ’t Veld).


Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

http://www.buitenringnee.nl/cms/images/documentatie/abbb.pdf 

Verkort overzicht
De overheid moet zich bij al haar handelen en besluiten houden aan de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. Een aantal daarvan staat in de Algemene wet bestuursrecht, andere
gelden als regels van ongeschreven recht. De rechter toetst overheidsbesluiten aan deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Zorgvuldigheidsbeginsel.
De overheid moet een besluit zorgvuldig voorbereiden en nemen: correcte behandeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming.
Gelijkheidsbeginsel.
De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen.
Vertrouwensbeginsel.
Wie op goede gronden -bijvoorbeeld na een duidelijke toezeggingerop mag vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit neemt, heeft daar ook recht op.
Motiveringsbeginsel.
De overheid moet zijn besluiten goed motiveren : de feiten moeten
kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn.
Rechtszekerheidsbeginsel.
De overheid moet zijn besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
Evenredigheidsbeginsel.
De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit.
Verbod van détournement de pouvoir.
De overheid mag een wettelijke bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid gegeven is.
Verbod van détournement de procedure.
De overheid mag voor een besluit niet de verkeerde procedure volgen.
Fair-play-beginsel.
De overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een besluit en moet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in acht nemen.

[Voor vervolg zie verder naar beneden.]


‘Beleidskader grenzen aan gedogen.’

“Het overheidsorgaan heeft altijd de plicht om een belangenafweging te maken alvorens handhavend op te treden. Leidt de belangenafweging tot de conclusie dat in dit specifieke geval handhaving (voorlopig) niet opportuun is, dan is gedogen het gevolg. Uiteraard wordt de vrije ruimte die het overheidsorgaan bij deze afweging toekomt, ingeperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. [..] Uitgangspunt .. is dat er restrictief met gedogen dient te worden omgegaan. Gedogen dient zo veel mogelijk te worden vermeden. [..] Gedogen dient te worden vastgelegd en geconditioneerd in een beschikking. [..] Blijkens de jurisprudentie moet een gedoogbeschikking worden voorbereid en geformuleerd conform de eisen van de Awb [Algemene wet bestuursrecht]. [..] Met name in gedoogsituaties is een strikt toezicht op het naleven van de gedoogvoorwaarden geboden. [..] Vanuit handhavingsoptiek is het beter met een vergunning van doen te hebben dan met een gedoogbeschikking. [..] De gedoogbeschikking wordt openbaar bekend gemaakt. Ook daarbij wordt melding gemaakt van bezwaar- en beroepsmogelijkheden. [..] Volgens de rechtspraak dient gedogen een uitzonderlijk karakter te hebben. Uitgangspunt is immers de situatie dat er op een correcte manier uitvoering wordt gegeven aan het wettelijk stelsel. Een beleid waarin plaats is voor het categorisch gedogen van bepaalde overtredingen, wordt dan ook niet aanvaard. [..]”
(Bron: ‘Beleidskader grenzen aan gedogen.’ Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, 12 juni 2001.)


Rationele “willekeur”. Enkele opmerkingen over discretionaire boetebevoegdheden.

Beleidsvrijheid en “willekeur”
(Bron: http://rechten.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/GGSL/CRBS/ratiwi/OratieBrring.pdf )

Moet u gestraft worden? Even aangenomen dat u de wet hebt overtreden? In het bestuursrecht is op brede schaal de bestuurlijke boete ingevoerd. Afgezien van met name het socialezekerheidsrecht, gaat het om discretionaire, vrije bevoegdheden tot het opleggen van een boete. Denkt u bijvoorbeeld aan het belastingrecht, het mededingingsrecht of het arbeidsomstandighedenrecht. Ook het voorstel voor de Wet bestuurlijke boete kleine ergernissen kent een discretionaire boetebevoegdheid.
Dergelijke bevoegdheden zijn vervat in een kan-bepaling: Het bestuursorgaan kan een boete opleggen. Sprake is van beleidsvrijheid, op het punt van de vraag of een boete dient te worden opgelegd. Dit doet denken aan het strafrechtelijke opportuniteitsbeginsel, dat het OM beleidsvrijheid verschaft om al dan niet tot vervolging over te gaan: De bestuursrechtelijke kan-bevoegdheden tot beboeting zijn te beschouwen als de bestuursrechtelijke pendant van het strafrechtelijke opportuniteitsbeginsel.
Hoe ver strekt nu die vrijheid om al dan geen boete op te leggen?

Wat betreft de mogelijkheid om van beleidsregels af te wijken merk ik op dat in het bestuursrecht, wellicht anders dan in het strafrecht, afwijking ten nadele van betrokkene categorisch is uitgesloten [..]
Mijn belangrijkste bevinding is, dat in het bestuursrecht strenger aan eisen van gelijke behandeling en van kenbaarheid en consistentie van beleid wordt getoetst dan in het strafrecht [..]
‘met betrekking tot de wijze waarop hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een boete en een last onder dwangsom niet vooraf een beleid heeft ontwikkeld dat op schrift is gesteld. [..]
Maar het College onderstreept de eisen van consistente beleidsvoering, en een in het licht daarvan consistente motivering. [..]
Sommigen hangen de opvatting aan dat willekeur in de zin van onvoorspelbare selectiviteit bij opsporing en vervolging, in het belang van de generale preventie is: Willekeur dient de generale preventie [..]
Wanneer van twee overtreders de ene niet maar de andere wel wordt vervolgd, kun je het ten opzichte van het slachtoffer niet maken dat, enkel om redenen van gelijke behandeling, ook die tweede overtreder de dans ontspringt. Dergelijke ideeën over rationele “willekeur” leven sterker in het strafrecht dan in het bestuursrecht. [..]
Het is een van mijn kleine ergernissen dat gemeentelijke notaschrijvers hun beleidsregels vaak niet helder in kaart weten te brengen. Misschien helpt een wettelijke plicht tot het vaststellen van beleidsregels. En anders maar op cursus


HR 25-02-1949, NJ 1949, 558 Doetinchemse woonruimtevordering

In cassatie formuleert de Hoge Raad het leerstuk van het willlekeurverbod. In geval van beleidsvrijheid is er voor de rechter eerst reden tot ingrijpen indien hij vaststelt dat het verantwoordelijke bestuursorgaan, gelet op de bij afweging in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot de gewraakte bevoegdheidsuitoefening heeft kunnen komen, en dus afweging van die belangen geacht moet worden niet te hebben plaatsgehad. Van een zodanige daad van willekeur was volgens de Hoge Raad in de Doetinchemse kwestie geen sprake


MAXIS EN PRAXIS
Verbod van willekeur
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 mei 1996, H01.95.0337, JB 1996, 158 (m.nt. F.A.M. Stroink), RAwb 1996, 104 (m.a. B.W.N. de Waard), AB 1997,
93, Gst. 1997, 7053, 9 (m.nt. J.M.H.F. Teunissen), AA 1997, p. 43 (m.nt. I.C. van der Vlies)
Verbod van willekeur na invoering van de Awb. Marginale toetsing.
Bron: http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=99762

Dat gebeurt, doordat de beoordelende instantie erkent dat het primair aan degene wiens beslissing wordt getoetst is om de in het geding zijnde criteria toe te passen, en de beoordelende instantie aan de hand van de voorliggende uitkomst bepaalt of de beoordeelde instantie is gebleven binnen de marges die daarbij aan die instantie moeten worden gelaten [..]
Zoals gezegd is de willekeurformule door de Hoge Raad geïntroduceerd in het arrest over de Doetinchemse woonruimtevordering, uit 1949. Daarmee werd een stap gezet in de ontwikkeling van de rechtsbescherming tegen de overheid die van zo groot belang is, dat er alle aanleiding is om nadere aandacht te geven aan dat arrest. [..]
Wel was men het er ongeveer over eens dat de rechter zou kunnen ingrijpen als sprake was van ‘misbruik van overheidsmacht’, maar soms werd aangenomen dat daarvan praktisch alleen sprake kon zijn in geval van ‘détournement de pouvoir’, dat wil zeggen het gebruik van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is toegekend. [..]
Men was het er in die tijd, zoals gezegd, niet over eens in hoeverre de rechter de uitoefening van een bestuurlijke discretionaire bevoegdheid mocht toetsen. Je kunt het ook iets anders formuleren: het was niet zo makkelijk uit te maken hoe de rechter dit zou kunnen doen, zonder afbreuk te doen aan de bestuurlijke bevoegdheid. [..]
Aan één kant was er het risico van ‘vriendjespolitiek’ of anderszins door onzuivere motieven ingegeven beslissingen. [..]
Hoewel in de van de kant van de regering geproduceerde parlementaire stukken veel verwijzingen staan naar de noodzaak voor de rechter om het resultaat van een belangenafweging marginaal te blijven toetsen, geeft deze passage aan dat de wetgever wel degelijk heeft gedacht aan een rechterlijke controle van de doel-middelverhouding. [..]
Je zou kunnen zeggen dat de rechtbank eerst de bevoegdheid heeft beoordeeld. Dat was een vrijstellingsbevoegdheid, dat wil zeggen, een bevoegdheid om uitzonderingen te maken en dus niet een bevoegdheid waarvan door de (lagere) regelgever is bedoeld dat deze in de regel begunstigend zal worden gehanteerd, mits aan een aantal formaliteiten is voldaan.[..]
Kennelijk heeft de rechtbank in de context van de bevoegdheid en de gegeven situatie reden gezien te oordelen dat het juridisch onjuist was om op dat moment gebruik van de vrijstellingsbevoegdheid te maken. [..]
Men kan een dergelijke beoordeling wel intensiever noemen dan een marginale toetsing op willekeur, maar het is niet een beoordeling waarbij de rechter als het ware zelf de waardering van voor- en nadelen van het resultaat van de bestuurlijke besluitvorming verricht. Integendeel: de uitspraak van de rechtbank beoogde nou juist veilig te stellen dat het bestuur zelf (maar dan: het geëigende orgaan, in de geëigende procedure) de gewenste ruimtelijke ordening zou bepalen. [..]
Had de rechtbank de vernietigingsgrond beter anders kunnen kiezen of formuleren? In zijn naschrift bij de Maxis en Praxisuitspraak in De Gemeentestem (Gst. 1997, 7053, 9) zegt Teunissen, dat de rechtbank volgens hem de conclusie had moeten trekken dat de vrijstellingsbevoegdheid is gebruikt in strijd met de wet, althans voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, en de rechtbank dus had moeten vernietigen wegens strijd met art. 3:3 Awb.[..]

Zie ook: HR 25 februari 1949, NJ 1949, 558, ARB 1949, p. 788, Gst. 5006, 3 (Doetinchemse woonruimtevordering)


Van beoordelingsvrijheid wordt gesproken als het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelfstandig te beoordelen of aan de wettelijke bevoegdheidscriteria is voldaan. De rechter dient het betreffende bestuurlijke oordeel te respecteren voor zover het niet evident onjuist is. In een dergelijke situatie wordt ook wel gesproken van ‘subjectieve’ beoordelingsruimte.
Dit, ter onderscheiding van ‘objectieve’ beoordelingsruimte. Als een regel objectieve beoordelingsruimte bevat, hoeft de rechter niet terughoudend te toetsen. De rechter kan dan zijn eigen oordeel geven over de vraag hoe de regel geïnterpreteerd moet worden en of het bestuursorgaan de feiten in het licht van die regel juist heeft gekwalificeerd.
De term beoordelingsruimte kan dus twee betekenissen hebben, namelijk als overkoepelend begrip voor ‘subjectieve’ beoordelingsruimte (= beoordelingsvrijheid) en ‘objectieve’ beoordelingsruimte. Wordt de term zonder nadere toevoeging gebruikt om een contrast met beoordelingsvrijheid aan te geven, dan wordt gedoeld op ‘objectieve’ beoordelingsruimte. Als wordt gezegd dat de rechter aan het bestuur beoordelingsruimte dient te laten, dan is duidelijk dat wordt gedoeld op ‘subjectieve’ beoordelingsruimte, beoordelingsvrijheid.

Bij de situatie dat de rechter zijn eigen beoordeling zonder meer in de plaats mag stellen van die van het bestuur past dus niet de term beoordelingsvrijheid, maar de term (‘objectieve’) beoordelingsruimte. Het moet dan ook wel zo zijn dat de commissie-Scheltema heeft bedoeld te zeggen dat, waar het gaat om het bepalen van de hoogte van een bestraffende sanctie, sprake is van (‘objectieve’) beoordelingsruimte.
Als deze veronderstelling dat de commissie eigenlijk bedoelde te spreken van (‘objectieve’) beoordelingsruimte juist is, dan past bij het standpunt van de commissie heel goed dat de commissie zegt dat eventuele beleidsregels over de hoogte van de boete het karakter hebben van wetsinterpreterende beleidsregels, waaraan de rechter niet is gebonden

Nader over beoordelingsruimte
Het kan in de praktijk lastig zijn om uit te maken of een wettelijke omschrijving beoordelingsvrijheid impliceert of niet. Soms is die duidelijkheid er, doordat de wetgever expliciet een formulering hanteert als ‘naar het oordeel van …’. Maar het is zeker niet altijd zo, dat de wetgever expliciteert dat hij de bedoeling heeft beoordelingsvrijheid toe te kennen. Als de rechter beoordelingsvrijheid aanneemt kan dat verschillende achtergronden hebben. De meest klassieke daarvan duid ik hier kort aan als het politiek-bestuurlijke argument. Daarmee doel ik op de situatie dat de wetgever geacht mag worden ruimte te hebben willen laten voor beoordeling op basis van bestuurlijk beleid, dat politiek kan zijn ingekleurd en door vertegenwoordigende organen wordt meebepaald of gecontroleerd.


‘In het algemeen kan de rechter slechts dan de uitoefening van een haar bij de wet toegekende bevoegdheid door de overheid onrechtmatig beoordelen indien de overheid deze bevoegdheid niet redelijk heeft gebruik in die zin, dat de belangen van anderen onevenredig worden geschaad of een te grote onevenredigheid bestaat tussen het gediende en het geschonden belang, ook wanneer daarbij een subjectief recht wordt aangetast. Door niettemin op grond van afweging der betrokken belangen de vordering als onrechtmatig te beschouwen heeft het Hof niet anders gedaan dan het overheidsbeleid ten deze te beoordelen, hetgeen de rechter niet vrijstaat.
Indien een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheid beschikt over discretionaire bevoegdheid zal de rechter deze vrijheid van het bestuursorgaan in beginsel moeten respecteren. De rechter mag immers niet ‘op de stoel van het bestuur’ plaatsnemen (dit volgt uit de Trias Politica). Beleidsvrijheid brengt nu eenmaal met zich mee dat een bestuursorgaan een bevoegdheid op verschillende manieren rechtmatig kan uitoefenen.’
In casu was er volgens de HR geen sprake van een daad van willekeur. 
Bron: http://www.studytube.nl/nl/jurisprudences/25


Art. 3:3 Awb
Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
http://www.studytube.nl/nl/jurisprudences/24


http://www.bestuur.centrum.amsterdam.nl/Bestuursarchief/2010/Commissie%20AZ/Stukken/AZ20101109Zienswijze%20D66%20actieplan%20VVD.pdf

Het formuleren van een stevig handhavingsbeleid voor de overgebleven regels, waarbij uitgangspunt stevige handhaving bij daadwerkelijke overlast is. Zo snel mogelijk moet worden gedefinieerd bij welke hoeveelheid klachten sprake is van overlast is. Nu bestaat daarover teveel onduidelijkheid. Wij kiezen voor een kleine overheid met weinig regels, maar de regels die er nog wel zijn moeten dan ook goed worden gehandhaafd om de binnenstad leefbaar te houden
http://www.bestuur.centrum.amsterdam.nl/Bestuursarchief/2010/Stadsdeelraad/Voorstellen/RAVO20100413VVD-MinderRegels.pdf 


Uitspraak
RECHTBANK DORDRECHT
Sector Bestuursrecht
procedurenummers: verzoek om voorlopige voorziening AWB 11/873
beroep AWB 11/872

2.4.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. [..]
De bezwaaradviescommissie heeft dit standpunt van verweerder in bezwaar om niet handhavend op te treden, onvoldoende gemotiveerd geacht.[..]
Bron: http://jure.nl/bt7946 


Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.002.405/01
Rolnummer (oud) : 04/1561
Rolnummer rechtbank : 01-917
Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 22 maart 2011

De overige grieven in het principaal appel hebben betrekking op de overwegingen en de beslissingen van de rechtbank inzake de ontvankelijkheid van PSC en de verzekeraars, inzake het onrechtmatig handelen van de Gemeente en de DCMR, in het bijzonder de handhavingsplicht van de Gemeente en de DCMR, de beleidsvrijheid daarbij en de eventuele schending daarvan, inzake het relativiteitsvereiste, inzake het causaal verband, inzake de eigen schuld van de eigenaars van de verloren gegane of ernstig beschadigde goederen en van hun verzekeraars, alsmede inzake de schade.[..]
Zij hebben betrekking op de vraag of het doen of nalaten van de Gemeente en de DCMR dient te worden gekwalificeerd als handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, op het oordeel van de rechtbank inzake het bestaan van een handhavingsplicht op grond van de Brandweerwet, [..]
Onrechtmatigheid, handhavingsplicht en beleidsvrijheid

6.1 Partijen zijn het erover eens dat CMI in strijd met haar wettelijke plicht heeft nagelaten een aantal vergunningvoorschriften na te komen, waaronder de in rechtsoverweging 1.7 genoemde. De vraag die thans voorligt, is of de Gemeente c.s. mede voor door de brand opgetreden schade aansprakelijk kunnen worden gehouden op de grond dat zij hebben nagelaten voldoende handhavend op te treden tegen CMI. De Gemeente c.s. stellen zich op het standpunt dat zij voldoende handhavend hebben opgetreden, waarbij zij opmerken dat niet alleen van handhaven sprake is als een last onder dwangsom wordt opgelegd of bestuursdwang wordt toegepast. Zij stellen voorts dat uit de Wet milieubeheer geen plicht tot handhaving voortvloeit, maar dat er slechts kan worden gesproken van een beginselplicht tot handhaving, bij de invulling waarvan het bestuur in alle beleidsvrijheid alle in aanmerking komende belangen zorgvuldig tegen elkaar dient af te wegen, waarbij de rechter slechts marginaal mag toetsen. Zij voeren ook aan dat van gedogen in casu geen sprake is geweest, omdat na de constatering dat CMI aan een aantal vergunningvoorschriften niet voldeed, er intensieve contacten zijn geweest, erop gericht om de bestaande situatie in overeenstemming te brengen met de vergunningvoorschriften.[..]
6.2 Het hof stelt voorop, dat aan de Gemeente en de DCMR een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen of, hoe en wanneer zij handhavend wensen op te treden. Dat geldt ook wanneer zij eenmaal een overtreding van vergunningvoorschriften hebben geconstateerd. Het hof gaat voorbij aan de vraag of in hetonderhavige geval sprake was van gedogen. In het oog moet worden gehouden dat de nota “Gedogen in Nederland” (Kamerstukken II, 1996-1997, 25085, nr. 2), waarin aan het “gedoogbeleid” invulling is gegeven, pas op 31 oktober 1996 en dus na de onderhavige brand aan de Tweede Kamer is toegezonden. Die brief kan dus bij de beoordeling van het eventuele tekortschieten van de Gemeente en de DCMR in het onderhavige geval geen rol spelen. Dat brengt evenwel niet met zich mee dat het doen en laten van de Gemeente en de DCMR in het onderhavige geval niet aan het oordeel van de rechter kunnen worden onderworpen. De burgerlijke rechter zal, aan de hand van hetgeen is komen vast te staan en de stellingen van beide partijen moeten beoordelen of het doen en laten van de Gemeente en de DCMR al dan niet in overeenstemming is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de verplichting tot belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 van de Awb) [..]
6.5 De Gemeente c.s. hebben niet betwist dat de op 11 mei 1995 en 24 augustus 1995 aangetroffen situatie op de percelen van CMI acute en ernstige gevaren met zich bracht. In het licht van die acute en ernstige gevaren en de aanmerkelijke kans op ernstige schade die, gelet op de aard en de hoeveelheid van de bij CMI opgeslagen gevaarlijke stoffen,zou ontstaan indien deze gevaren zich zouden verwezenlijken, mocht in beginsel een voortvarend en dwingend optreden van de Gemeente en de DCMR verwacht worden, ook in de omstandigheden van 1995. Het hof constateert dat dat er niet is geweest. [..]
Met een algemeen betoog, hoe breed ook uitgesponnen, over de beleidsvrijheid, aangevuld met een niet geconcretiseerde mededeling datde situatie bij het bedrijf is verbeterd, kon niet worden volstaan, [..]
In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de Gemeente en de DCMR geen blijk hebben gegeven van een voldoende inzichtelijke belangenafweging en dat de belangen van degenen die door de vergunning worden beschermd, door het onvoldoende voortvarend en niet dwingend optreden van de Gemeente en de DCMR onevenredig zijn geschaad ten opzichte van het belang van CMI bij voortzetting van haar onrechtmatig handelen.[..]
Het hof komt tot de slotsom dat de Gemeente en de DCMR onrechtmatig nalatig zijn geweest.[..]
7.1 De Gemeente c.s. betogen, dat, ook als zou worden aangenomen dat zij onrechtmatig nalatig zijn geweest, dit de verzekeraars en PSC niet zou kunnen baten, omdat de Wet milieubeheer, bij de handhaving waarvan zij mede zouden zijn tekortgeschoten, er niet toe strekt de economische belangen te beschermen van bedrijven die met de vergunninghouderhouder in een bepaalde relatie staan, zoals de bedrijven in wier rechten de verzekeraars zijn getreden, en PSC. Meer in het algemeen brengen zij naar voren dat de eventuele handhavingsplicht ter zake van voorschriften, verbonden aan de milieuvergunning, beoogt de veiligheid van het milieu in algemene zin te bevorderen en niet strekt tot bescherming van het individuele vermogensbelang van derden die schade lijden doordat de vergunninghouder de vergunningvoorschriften overtreedt. Voor zover de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op door haar geconstateerde nalatigheid van de Gemeente in de uitvoering van haar op de Brandweerwet rustende zorgplicht ter zake van het voorkomen van brand en het beperken van brandgevaar, voeren de Gemeente c.s. aan dat op hen op grond van die wet niet de verplichting rust tot handhaving van vergunningvoorschriften die daartoe strekken. Zij menen dat de Gemeente slechts heeft te zorgen voor een Brandbeveiligingsverordening en de aanwezigheid van een deugdelijk brandweerkorps en stellen dat de Gemeente aan die verplichtingen heeft voldaan. Volgens hen strekte de (destijds geldende) Brandweerwet 1985 evenmin tot de bescherming van de economische belangen van degenen wier goederen door brand worden bedreigd of tenietgaan. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun betoog uitgebreid en bij herhaling naar het arrest van de Hoge Raad inzake de duwbak “Linda” (HR 7 mei2004, LJN AO 6012). [..]
De Brandweerwet 1985 geeft aan de gemeente (in het bijzonder het college van burgemeester en wethouders) in artikel 1, vierde lid, onder a, onder meer de zorg voor het voorkomen van brand en het beperken van brandgevaar. Ook deze omschrijving is zeer algemeen. Een ondersteuning van de stelling dat het daarbij niet mede acht zou moeten worden geslagen op de bescherming van goederentegen brand, kan in de tekst niet worden gelezen, zulks in tegenstelling tot hetgeen kan worden gelezen in onderdeel b van dat lid, waar ter zake van de zorg bij ongevallen anders dan bij brand de zorgtaak van de gemeente is beperkt tot het voorkomen en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren. Ook in de parlementaire geschiedenis is een dergelijke beperking niet te vinden. [..]
Bij de beoordeling van de vraag welk handhavend optreden gelet op de acute en ernstige gevaren op de percelen van CMI adequaat was, hadden zij acht moeten slaan op alle betrokken belangen en dus mede op de belangen die gediend worden door de preventieve taak van de Gemeente op grond van de Brandweerwet 1985, waaronder de bescherming van de belangen van de bedrijven die hun goederen in de loodsen 27 en 29 hadden opgeslagen. Zij hadden daaraan gewicht moeten toekennen, omdat die belangen mede door het adequaat handhaven van de brandveiligheidsvoorschriften in de milieuvergunning konden zijn gebaat. Nu niet is gebleken van een toereikende belangenafweging, zijn de Gemeente en de DCMR ook tegenover de hier bedoelde verzekeraars en PSC voor de schending van deze zorgvuldigheidsnorm aansprakelijk. [..]
7.5 Het beroep van de Gemeente c.s. op het arrest van de Hoge Raad inzake de duwbak “Linda” gaat niet op. Aan de Gemeente en de DCMR wordt niet verweten dat zij zijn tekortgeschoten in hun vergunningverlenende taak, maar dat zij bij de uitvoering van hun handhavende taak hebben gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door niet adequaat te reageren op aan hen bekende ernstige en acute gevaren. [..]


LJN BM9235, Gerechtshof Amsterdam, 200.013.493/01
Datum uitspraak: 09-03-2010

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dat kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarvan is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.” [..]
3.26 De gemeente stelt voorts dat haar handelen jegens [A] niet onrechtmatig is omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. De geschonden norm, zo stelt de gemeente, strekte niet tot bescherming van de belangen van [A]. In dit kader omschrijft de gemeente de geschonden norm aldus dat zij “onvoldoende zou hebben gedaan om te voorkomen dat een concurrent zich in het winkelcentrum heeft kunnen vestigen”. Omdat een gemeente in beginsel niet door middel van het vaststellen van een bestemmingsplan in marktverhoudingen mag ingrijpen, kan de in het geding zijnde handhavingsplicht niet strekken tot bescherming van de marktpositie en daarmee samenhangende belangen van [A] [..]
http://jure.nl/bm9235 


LJN BJ3796, Rechtbank Alkmaar, 07/2935
Datum uitspraak: 08-07-2009
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Zaaknummers: 07/2935
Inhoudsindicatie: Weigering handhavend op te treden ter zake van geluidsoverlast veroorzaakt door houder/fokker van hanen. 

3. Verweerder [B&W Den Helder, rvw] heeft het advies van de Commissiebezwaarschriften van 18 juli 2007 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Daarin is als toetsingsmaatstaf het bepaalde in artikel 2.4.18 van de APV als uitgangspunt genomen, en op grond van aangehaalde jurisprudentie gesteld dat voor overheidsoptreden in het kader van voornoemd artikel alleen plaats is indien sprake is van onrechtmatige hinder. [..]
5. De rechtbank stelt voorop dat ter beoordeling staat of sprake is van overlast, hinder of schade aan de openbare gezondheid voor de omgeving, veroorzaakt door een gehouden dier, zoals neergelegd in artikel 2.4.18 van de APV. [..]
6. Zoals bijvoorbeeld is overwogen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) van 17 september 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ nummer BF1006, ligt het op de weg van een bestuursorgaan om, afhankelijk van het klachtenpatroon, gedegen te onderzoeken of de door klagers gestelde overlast of hinder voorkomt en zo ja, te meten wat onder die omstandigheden de geluidsbelasting is. [..]
Dat verweerder naar hij stelt – hetgeen eiser overigens betwist – toezichthouders een achttal maal ter plaatse zijn geweest, is onvoldoende om de door verweerder getrokken conclusie te dragen, temeer daarover niets is vastgelegd en derhalve niet blijkt wat, wanneer, en onder welke omstandigheden is geconstateerd. [..]
http://jure.nl/bj3796


LJN AR2320, Rechtbank Rotterdam, 154527 / HA ZA 01-917
Datum uitspraak: 26-05-2004
Zaaknummers: 154527 / HA ZA 01-917
Vindplaats: NJF ; 2004, 508 en JM ; 2005, 36 ; Bos
Inhoudsindicatie:
Onrechtmatige overheidsdaad. Vraag of gemeente voldoende handhavend heeft opgetreden t.a.v. naleving hinderwetvergunningsvoorwaarden.

3. De vordering [..]
3.6 De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld jegens eisers, nu zij door voornoemd nalaten (indirect) inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van eisers, alsmede in strijd heeft gehandeld met haar wettelijke plicht, onder andere om voldoende zorg voor het milieu in acht te nemen.[..]
4 Het verweer [..]
4.5 Als op gedaagden al een handhavingsplicht rustte, leidt dit nog niet tot een schadevergoedingsplicht aan de zijde van gedaagden. Gedaagden treftook geen verwijt ten aanzien van het ontstaan van de brand. Het handhaven van de voorschriften van de onderhavige hinderwetvergunning strekt uitsluitend tot bescherming van het milieu. Met overtreding van deze vergunningsvoorschriften is derhalve geen norm geschonden die strekt tot bescherming van de belangen van eisers, te weten de bescherming van economische belangen.
5 De beoordeling [..]
5.14 Bij de beantwoording van de vraag of gedaagden in deze gehandeld hebben in strijd met bedoelde verplichting en aldus sprake is van onrechtmatig handelen dient als maatstaf of gedaagden, als de met de handhaving belaste overheidslichamen, in redelijkheid konden beslissen te volstaan met de mate van handhaving die zij hebben betracht. Een onrechtmatige daad kan aan de overheid worden toegerekend indien zij het risico kende of behoorde te kennen en het risico had kunnen of behoren te vermijden. [..]
5.17 Gedaagden doen een beroep op de aan de overheid toekomende beleidsvrijheid. Zij voeren aan dat zij slechts een beginselplicht tot handhaven hebben en aan hen een beleidsvrijheid toekomt of en op welke wijze in een concreet geval dientte worden opgetreden.
Voor de beantwoording van de vraag of gedaagden een beroep toekomt op beleidsvrijheid is het zinvol aan te knopen bij de uitgangspunten zoals geformuleerd in de kabinetsnota ‘Gedogen In Nederland’ (Kamerstukken II, 1996/97, 25085, nr. 1-2). Deze nota vormt een weergave van de toentertijd algemeen geldende opvattingen. In deze nota is weergegeven dat het niet handhavend optreden slechts aanvaardbaar is in uitzonderingsgevallen en mits tevens beperkt in omvang en in tijd. De notaformuleert drie uitzonderingsgevallen: indien handhaving leidt tot aperte onbillijkheden, indien het achterliggende belang evident beter wordt gediend met gedogen of indien een zwaarwegend belang gedogen rechtvaardigt.
Van een of meer van deze uitzonderingssituaties is in dit geval geen sprake. Gedaagden hebben zich er weliswaar op beroepen dat zij ook rekening dienden te houden met de belangen van CMI, maar op geen enkele wijze is gebleken dat deze belangen, die gedaagden overigens niet nader concretiseren, zodanig zwaarwegend zijn dat deze het door gedaagden gevoerde beleid rechtvaardigen. […]
5.18 Eisers stellen voorts dat de gemeente is tekort geschoten in de op grond van de Brandweerwet 1985 (verder: ‘de Brandweerwet’) op haar rustende zorgplicht brand te voorkomen, te bestrijden en te beperken en brandgevaar te beperken.
Weliswaar is met het voorgaande reeds vastgesteld dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld, maar deze tweede door eisers aangevoerde grond is relevant in het kader van het door gedaagden gevoerde verweer dat het handhaven van de voorschriften van de hinderwetvergunning niet strekt tot bescherming van de economische belangen van eisers. Op dit verweer komt de rechtbank onder 5.22 nader terug.
5.19 Anders dan gedaagden kennelijk willen betogen, heeft de gemeente wel degelijk de verplichting toe te zien op de naleving van brandveiligheidsvoorschriften. De zorgplicht voor de gemeente brand te voorkomen, te bestrijden en te beperken en brandgevaar te beperken is vastgelegd in artikel 1 lid 4 sub a van de Brandweerwet. De Memorie van Toelichting bij de Brandweerwet (TK 1980-1981, 16695, nr. 3 p. 6) geeft aan dat het begin- en zwaartepunt van de verantwoordelijkheid voor een goede brandweerzorg bij het gemeentebestuur ligt.
5.20 De Brandweerwet stelt een algemene zorgplicht voor de gemeente vast enschept op zichzelf geen verplichting vergunningsvoorwaarden te handhaven ter voorkoming van brand en ter beperking van brandgevaar. Artikel 12 van de Brandweerwet bepaalt echter dat de gemeente regels dient vast te stellen ter voorkoming, bestrijding en beperking van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt, voor zover daarin niet al bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien. Dat heeft de gemeente in ditgeval ook gedaan. [..]
5.22 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de handhavingsplicht van gedaagden ten aanzien van de in de onderhavige hinderwetvergunning gegeven voorwaarden zoals voortvloeiend uit artikel 18.2 van de Wet Milieubeheer derhalve niet uitsluitend beoogt milieuschade te voorkomen, zoals omschreven in de Wet Milieubeheer, maar tevens beoogt brandschade te voorkomen. [..]

Bron: http://jure.nl/ar2320


Verbod op zingen van kerstliederen in of bij winkelcentrum Muziekwijk
16-03-2010
ChristenUnie - 2 februari 2010 - R. Bosch - beantwoord 9 maart 2010

Voor de handhaving van de openbare orde is de overheid verantwoordelijk.

De gemeente is ervoor verantwoordelijk om te handhaven wanneer de voorwaarden gesteld in de APV niet worden nagekomen. 

Bron: http://gemeenteraad.almere.nl/de_raad_werkt/schriftelijke_vragen/_pid/kolom1-1/_rp_kolom1-1_elementId/1_2569283 


Gemeente laat geluidsmeting verzinkerij uitvoeren
Archiefdatum is 23-07-2008.

De gemeente laat een geluidsmeting uitvoeren bij Verzinkerij van Aert uit Nederweert. Deze meting zal uitwijzen of er sprake is van een overschrijding van de geluidsnorm. De gemeente laat dit onderzoek uitvoeren naar aanleiding van een verzoek tot handhaving van diverse buurtbewoners en een recente uitspraak van de Raad van State.
 
Verzoek om handhaving
De milieuvergunning van Verzinkerij van Aert dateert uit 1996. De verzinkerij is een continubedrijf, er wordt 24 uur per dag gewerkt en dus geluid geproduceerd. Diverse buurtbewoners hebben in december 2007 een verzoek om handhaving ingediend omdat zij van mening zijn dat de verzinkerij in strijd met de vergunning handelt en daarbij overlast veroorzaakt. Het gaat met name om geluidhinder in de avond- en nachtperiode.
 
Gedoogbeschikking
Op 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om het verzoek tot handhaving af te wijzen en de situatie te gedogen voor 6 maanden (tot 12 augustus 2008). Dan wil het college bepalen of er opnieuw een gedoogbeschikking verleend wordt. Dit onder een aantal specifieke voorwaarden om de geluidsbelasting te beperken. Het gaat dan o.a. om afgebakende werkgebieden en –tijden in de avond- en nachtperiode waardoor er minder geluid geproduceerd wordt in de nabijheid van woningen.
 
Handhavingsplicht
De gemeente heeft een handhavingsplicht. Er moet echter altijd eerst bekeken worden of de situatie vergunbaar is. Handhavend optreden mag pas als er geen zicht op legalisatie bestaat. In dit geval heeft het college ervoor gekozen de situatie onder voorwaarden te gedogen. Met de uitvoering van de nieuwbouwplannen voor de verzinkerij ontstaat immers concreet zicht op legalisatie, aldus het college.
Bron: http://www.nederweert.nl/internet/persberichten_211/item/gemeente-laat-geluidsmeting-verzinkerij-uitvoeren_4658.html 


Handhavingsbeleid
Gemeente Voerendaal 2012 – 2014

Inhoudsopgave
1. Inleiding 4
1.1 Aanleiding 4
1.2 Uitgangspunt handhaving 4
1.3 Doel 4
1.4 Reikwijdte 4-5
2. Begrippenkader 6
2.1 Bevoegdheid en instrumenten 6
2.2 Kwaliteitscriteria 6
2.3 Handhavingsdocumenten 6-7
2.4 Handhaving als beleidsinstrument 7
2.5 Begrippen handhavingsbeleid 7-8
3. Handhavingsbeleid 9
3.1 Doelstellingen 9
3.2 Uitgangspunten 9
Aandacht voor actualisering 9
Adhoc handhaving 9
Handhaafbaar en uitvoerbaar 9
Organisatie en middelen 9
Integrale handhaving 9
Handhavingsinstrumenten 9-10
Preventie: toezicht 10
Repressie: sanctie 10
handhavingsverzoek 10
Meldingen/klachten 10
Gedogen 11
3.3 Uitvoering 11
3.4 Risicoanalyse en handhavingsprioriteiten 12
3.5 Strategie 13
3.5.1. Toezichtstrategie 13
Samenwerking 13-14
Afhandeling 14
Buitengewoon opsporingsambtenaar 14-15
3.5.2. Sanctiestrategie 15
4. Handhavingsorganisatie 16
4.1 Handhavingscapaciteit 16-17
4.2 Ontwikkeling komende jaren 17
Nieuwe regelgeving 17
Ontwikkelingen 17

Bron: http://www.voerendaal.nl/webdocs/beleidsnotas/handhavingsbeleid%202012-2014.pdf 


Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

http://www.buitenringnee.nl/cms/images/documentatie/abbb.pdf

Verkort overzicht
De overheid moet zich bij al haar handelen en besluiten houden aan de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. Een aantal daarvan staat in de Algemene wet bestuursrecht, andere
gelden als regels van ongeschreven recht. De rechter toetst overheidsbesluiten aan deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Zorgvuldigheidsbeginsel.
De overheid moet een besluit zorgvuldig voorbereiden en nemen: correcte behandeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming.
Gelijkheidsbeginsel.
De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen.
Vertrouwensbeginsel.
Wie op goede gronden -bijvoorbeeld na een duidelijke toezeggingerop mag vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit neemt, heeft daar ook recht op.
Motiveringsbeginsel.
De overheid moet zijn besluiten goed motiveren : de feiten moeten
kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn.
Rechtszekerheidsbeginsel.
De overheid moet zijn besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
Evenredigheidsbeginsel.
De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit.
Verbod van détournement de pouvoir.
De overheid mag een wettelijke bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid gegeven is.
Verbod van détournement de procedure.
De overheid mag voor een besluit niet de verkeerde procedure volgen.
Fair-play-beginsel.
De overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een besluit en moet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in acht nemen.

BEGINSELEN
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur geven regels voor het spel dat zich tussen bestuursorganen en belanghebbenden afspeelt. Deze regels zijn deels opgenomen in wetgeving, zoals de Algemene wet bestuursrecht, maar deels ook niet. Daar waar dit niet is gebeurd, speelt het gewoonterecht als rechtsbron een prominente rol.

De beginselen hebben een preventieve rol als een bestuursorgaan een besluit voorbereidt en neemt. En ze werken repressief als er wordt getoetst of een genomen besluit rechtmatig is. In de praktijk worden de algemene beginselen in drie groepen ingedeeld. Afhankelijk van de plaatsing zijn de gevolgen van het schenden van het beginsel te kenschetsen.
Allereerst zijn er zuiver formele beginselen die toezien op de voorbereiding en totstandkoming van besluiten. Vervolgens staan er aan de andere zijde de materiële beginselen. Deze zien toe op de inhoud en uitvoering van besluiten. Tussen de formele en materiële vinden we de formeel-materiële besluiten; deze tussengroep is van belang als het gaat om de besluitvorming zelf en de inrichting van het besluit.
De formele beginselen laten zich omschrijven met termen als fair play en zorgvuldige voorbereiding. Bij de
materiële beginselen moeten we denken aan termen als gelijkheid, evenredigheid, verbod van willekeur,
verbod van machtsmisbruik en rechtszekerheid (vertrouwensbeginsel). En bij de tussengroep gaat het met
name om de feitelijk juiste formulering, de draagkrachtige motivering en de motiveringsplicht; deze drie aspecten vallen kortweg onder het motiveringsbeginsel. Gezien het aantal van tien kunnen we spreken over de tien geboden van het goede bestuur.
Bij schending van een formeel beginsel is het geen dwingende noodzaak dat een bestuursorgaan een ander,
nieuw besluit neemt. Zaken in de voorbereiding kunnen worden verbeterd, waarna een identiek besluit kan
volgen. Bij de materiële beginselen zal dit echter zelden het geval zijn. Daar is het immers juist de inhoud
die niet deugt. Daarom zal ook een inhoudelijk ander besluit het gevolg zijn. Bij de tussengroep is het afhankelijk van wat er aan de hand is. Deze beginselen hebben deels materiële en deels formele kanten. Afhankelijk van de vraag met welk onderdeel er strijdigheid is, zullen er de bijbehorende consequenties aan
worden verbonden. In schema 1 wordt een en ander nog eens uitgebeeld.

FORMELE BEGINSELEN
Het bestuursorgaan moet eerlijk spel spelen als het bezig is met de voorbereiding van besluiten. Het dient een open en onbevooroordeelde houding aan te nemen. In art. 2:4, lid 1 Awb is dat als volgt geformuleerd:
het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. In het tweede lid wordt dit aangevuld met de zin dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.
Het schoolvoorbeeld is de restauranthouder die de overheid vroeg of hij zijn gehuurde restaurant mocht verbouwen, om het vervolgens te kunnen kopen. Het bestuursorgaan gaf daar bewust geen antwoord op, omdat het zelf het pand wilde aankopen in verband met de aanleg van een weg. In plaats van een besluit te nemen ten aanzien van de huurder, schafte het bestuursorgaan daarom snel het pand aan. De rechter oordeelde dat er geen eerlijk spel was gespeeld; het bestuursorgaan had misbruik gemaakt van beschikbare informatie.

In art. 3:2, 3:9 en 3:13 Awb zijn onderdelen te vinden van het beginsel van de zorgvuldige voorbereiding. Zo hoort bij een zorgvuldige voorbereiding dat het bestuursorgaan zich actief opstelt voor wat betreft het vergaren van (juiste) informatie. Dit kan door middel van het horen van de verzoeker of aanvrager, maar ook van andere belanghebbenden.
Treffend voorbeeld van dit beginsel is de zaak van mevrouw Cupido. Zij woonde boven een cafetaria in Rotterdam, waar muziek werd gedraaid. Blijkbaar had ze niet zo veel te doen, want telkens als de muziek naar haar mening te hard stond, belde ze de politie en de gemeente om erover te klagen. Niet zonder succes,want op zeker moment trok de burgemeester de muziekvergunning in. Maar dat ging de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State te snel (ARRS 17 november 1977, AB 1978/97). De gemeente had geen metingen verricht en de betrokken cafetariahouder ook niet gehoord in verband met dit voor hem belastende besluit. De voorbereiding door de burgemeester werd daarom ondeugdelijk geacht.
Zowel het beginsel van fair play als dat van de zorgvuldige voorbereiding hoeft er niet toe te leiden dat er een inhoudelijk ander besluit volgt. Het is zeer wel mogelijk dat, wanneer de gemeente in het geval van mevrouw Cupido de metingen wel had verricht en de cafetariahouder wel had gehoord, alsnog intrekking zou hebben plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor het geval van de restauranthouder; diens vergunning had mogelijk alsnog, maar dan op de juiste gronden, kunnen worden geweigerd.

MATERIËLE BEGINSELEN
De vijf te behandelen materiële beginselen zijn zoals gezegd: gelijkheid, verbod van willekeur, evenredigheid, verbod van machtsmisbruik en rechtszekerheid.
Het gelijkheidsbeginsel is rechtstreeks afkomstig uit art. 1 van de Grondwet. Gelijke gevallen moeten gelijk, en ongelijke gevallen uiteraard naar de mate van hun ongelijkheid worden behandeld. De belanghebbende wordt het daarbij in een procedure zo makkelijk mogelijk gemaakt: het enige dat hij hoeft te doen, is aangeven dat het gelijkheidsbeginsel wordt aangetast. Het bestuursorgaan zal vervolgens moeten aantonen dat er geen schending van dat beginsel is. Dit is voor het bestuursorgaan eenvoudiger te doen dan voor de belanghebbende; dat orgaan beschikt immers over een kennis- en informatievoorsprong. In de Awb treffen we het gelijkheidsbeginsel overigens niet aan; de wetgever heeft gemeend dat de Grondwet afdoende zou zijn.

In art. 3:4, lid 1 Awb staat dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Dit geeft het verbod van willekeur weer. Bestuursorganen dienen belangen op een juiste wijze af te wegen en te komen tot een weloverwogen besluit. Als het bestuursorgaan in alle redelijkheid niet tot dat besluit had kunnen komen, is er sprake van willekeur. In dit verbod moet een evenwicht tussen rechtmatigheid en doelmatigheid worden gevonden.

De vrijheid van het bestuursorgaan om tot een eigen oordeel te komen wordt begrensd door het vereiste dat er belangen moeten worden afgewogen. Maar als de rechter om een oordeel wordt gevraagd of het bestuursorgaan in redelijkheid tot een bepaald oordeel heeft kunnen komen, zal hij dit slechts marginaal toetsen. De redelijkheid van dit beginsel zien we terug in het volgende voorbeeld. Een Waddinxveense boer had zonder de daartoe benodigde vergunning een schuur gebouwd. Het college van burgemeester & wethouders vorderde van de boer dat hij zijn schuur binnen een bepaalde tijd zou afbreken; en anders werd dit namens het college wel gedaan. De rechter oordeelde dat dit een onredelijke waarschuwing was. De boer had namelijk de vergunning kunnen krijgen; als hij haar had aangevraagd, had de gemeente die in zijn geval ook moeten verlenen. Een waarschuwing zoals het college had uitgedaan, was gezien de omstandigheden dan ook niet als redelijk te beoordelen.

Het verbod van willekeur kent een verdere verfijning in de vorm van het evenredigheidsbeginsel. Art. 3:4,lid 2 Awb geeft aan dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Ook op machtsmisbruik – het Franse détournement de pouvoir – rust een verbod. Een bestuursorgaan mag
een toegekende bevoegdheid slechts gebruiken voor de doelen die daarmee zijn beoogd. Gebruik voor andere doelen is niet toegestaan. Maar als bestuursorgaan ben je natuurlijk goed gek als je dit andere doel zo maar bekendmaakt. Praktisch gezien is dit beginsel daarom moeilijker inzetbaar dan een aantal andere.

Verbod van machtsmisbruik
De Hoge Raad sprak op 9 april 1976 (NJ 1976/394) recht in het geval van de burgemeester van Katwijk, die
weigerde om de exploitant van een horecavoorziening toestemming te verlenen als bedoeld in art. 22 Dranken Horecawet. Deze toestemming was nodig in die gevallen waarin uit de combinatie van drank en dansen gevaren zouden kunnen voortvloeien. Daar was in Katwijk volgens de burgemeester echter geen sprake van. En daarom was zijn besluit tot het verbieden van dansen op zondag – want daar werd toestemming voor gevraagd – in strijd met het verbod van machtsmisbruik. Zijn beslissing was ingegeven door de gevoelens van de meerderheid van de Katwijkse bevolking met betrekking tot de zondagheiliging. In de context van de Drank- en Horecawet waren deze redenen voor de wetgever echter niet ter zake doende.

De rechtszekerheid wordt geregeld aangeduid met de benaming vertrouwensbeginsel. De burger moet kunnen vertrouwen op het recht. Dat betekent dat besluiten helder moeten zijn en dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gehonoreerd. Dit zal ook plaatsvinden als er daadwerkelijk mocht worden vertrouwd en de burger daar in redelijkheid van mocht uitgaan. Daarbij komt dat de burger op basis van dit vertrouwen al handelingen moet hebben verricht of zelfs al schade moet hebben geleden. Wel dient een causaal verband aanwezig te zijn tussen het vertrouwen en het nadeel. Als de schade ook zonder het gewekte vertrouwen was ontstaan, houdt het op.

TUSSENGROEP
De tussengroep is geformeerd rond deelaspecten van het motiveringsbeginsel. De formele kant behelst het aanwezig zijn van een feitelijk juiste motivering. De materiële kant ziet toe op de draagkracht van de motivering die aan het besluit ten grondslag ligt; het besluit moet kunnen worden gedragen door de gebruikte motivering. In de jurisprudentie zijn diverse voorbeelden te vinden als het gaat om die motiveringsaspecten.
Zo werd een ambtenaar ontslagen in het kader van een aangekondigde reorganisatie waarbij zijn functie zou vervallen. Later bleek dat er van een reorganisatie geen sprake was. De feiten die door het bestuursorgaan werden gehanteerd, bleken niet juist te zijn.
Voor de draagkracht kan naar de volgende uitspraak worden verwezen. Een tennisvereniging ontving geen subsidie, omdat ze weigerde toe te zeggen dat er op zondag niet op het tennispark zou worden getennist. De rechter vond dit geen draagkrachtige motivering. Mogelijk heeft de gemeente de motivering verzwaard en er andere zaken bijgehaald, om vervolgens tot hetzelfde besluit te komen. Alleen op die manier zou het besluit tot het niet toekennen van de subsidie kunnen worden gehandhaafd, maar anders niet.
De wettelijke bepaling van de motiveringsplicht is te vinden in art. 3:46 Awb: een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Wel wordt in art. 3:48 Awb een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de aanwezigheid van een motivering. In dit artikel staat vermeld dat een motivering achterwege kan blijven als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daar geen behoefte aan ontstaat. Dit kan het geval zijn bij een begunstigende beschikking waarbij geen belangen van derden worden benadeeld.

TEN SLOTTE
In deze bijdrage zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nader uitgewerkt. Deze beginselen zijn van groot gewicht, mede omdat ze tegen de wet in kunnen gaan en die zelfs opzij kunnen zetten. Al gaat dit niet zonder slag of stoot.
De basis hiervoor is gelegd in het Doorbraak-arrest van 1978 (HR 12 april 1978, NJ 1979/533). Daarin is het volgende geoordeeld. Het beroep op genoemde beginselen vindt zijn basis in eigen handelen of nalaten van het bestuursorgaan dat het besluit nam. Het moet bovendien een materieel beginsel betreffen, hetgeen meestal het vertrouwensbeginsel zal zijn. Het beginsel kan voorts alleen ten gunste van de direct belanghebbende worden toegepast, waarbij belangen van derden geen gevaar mogen lopen. Tot slot moet de omvang van de schade van de direct belanghebbende, doordat hij op het beginsel vertrouwde, voldoende in kaart te brengen zijn.
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, bestaat de mogelijkheid dat de wettelijke bepaling opzij wordt gezet. Maar ook bij minder verstrekkende gevolgen – het gaat bijvoorbeeld niet om een wettelijke bepaling, maar om een besluit dat moet worden aangevochten – kunnen de beginselen als redmiddel van pas komen.
Het is in voorkomende gevallen aan te raden om zo veel mogelijk de materiële beginselen in de strijd te werpen. Die hebben namelijk als voordeel dat er bij strijdigheid in ieder geval een ander besluit moet worden genomen. Bij de formele beginselen moet je dat maar afwachten.<<
_______________________________________________________________________________

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
http://nl.wikipedia.org/wiki/Algemene_beginselen_van_behoorlijk_bestuur 

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb's) behelzen in Nederland een aantal beginselen die ontstaan zijn uit jurisprudentie om de gedragsregels van de overheid ten opzichte van de burger te regelen. Dit is het geval als de overheid een vergunning verleent, belasting heft of een verbintenis aangaat met bijvoorbeeld een BV. Voor 1994, toen de Algemene wet bestuursrecht in werking trad, waren de meeste beginselen niet vastgelegd in de wet. Door middel van jurisprudentie is de verhouding tussen de overheid en de burger verduidelijkt. Vanaf 1994 is een aantal beginselen gecodificeerd.

Onderscheid
Abbb's kunnen onderscheiden worden in formele beginselen en materiële beginselen.

Formele beginselen
Iedere bevoegdheid van de overheid (inclusief die van lagere overheden zoals waterschappen, provincies, gemeentes) om besluiten te mogen maken moet terug te voeren zijn op bevoegdheid die door de formele wetgever is toebedeeld.
Voorbeelden zijn: legaliteitsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, formele rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play.
· Legaliteitsbeginsel. Er is geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet.
· Zorgvuldigheidsbeginsel. De overheid moet een besluit zorgvuldig voorbereiden en nemen: correcte behandeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming (art. 3:2 Awb).
· Motiveringsbeginsel. De overheid moet haar besluiten goed motiveren: de feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn (art. 3:46 Awb).
· Rechtszekerheidsbeginsel. De overheid moet haar besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
· Gelijkheidsbeginsel. De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen (art. 1 Grondwet).
· Verbod van détournement de pouvoir. Een bestuursorgaan mag de hem geattribueerde of gedelegeerde bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven (art. 3:3 Awb).
· Fair-play-beginsel. De overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een besluit en moet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in acht nemen (art. 2:4 Awb).
· Verbod op détournement de procédure. Er mag geen lichtere procedure worden gevolgd om tot een besluit te komen, wanneer daarvoor een met meer waarborgen omklede procedure openstaat
· Vertrouwensbeginsel. Wie op goede gronden -bijvoorbeeld na een duidelijke toezegging- erop mag vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit neemt, heeft daar ook recht op.

Materiële beginselen
De materiële beginselen hebben betrekking op de inhoud van bestuursbesluiten. Voorbeelden zijn: specialiteitsbeginsel, materiële rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir.
· Specialiteitsbeginsel. Een bestuursorgaan mag alleen die belangen behartigen waarvoor de betrokken wet of regeling een grondslag biedt (art. 3:4 lid 1 Awb).
· Evenredigheidsbeginsel. De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit (art. 3:4 lid 2 Awb).
· Vertrouwensbeginsel (materiele rechtszekerheid). Een burger mag, onder bepaalde voorwaarden, kunnen vertrouwen op uitlatingen van een bestuursorgaan waarin dingen worden toegezegd maar die later niet nagekomen (kunnen) worden door het bestuursorgaan.
· Verbod van détournement de pouvoir. Een bestuursorgaan mag de hem geattribueerde of gedelegeerde bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven (art. 3:3 Awb).
De overheid mag geen zaken regelen die niet binnen haar bevoegdheid liggen of die willekeur oproepen.
De overheid mag bijvoorbeeld geen fluoride aan drinkwater toevoegen, op het moment dat zij moet zorgen voor gezond drinkwater. Zij treedt hiermee namelijk buiten haar opgelegde verplichtingen en bevoegdheden.
Literatuur:
· Joris in 't Veld en N.S.J. Koeman (1979), Beginselen van behoorlijk bestuur, Zwolle. ISBN 9027126615


Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat Deel 1, druk 5
Door P. de Haan,Th. G. Drupsteen,R. Fernhout\

Verbod van willekeur
http://books.google.nl/books?id=wkmfPI-S9L0C&pg=PA118&lpg=PA118&dq=verbod+van+willekeur&source=bl&ots=0xltp8n2nN&sig=XVU_aNWK31NShy_eRrMeDPNAqkU&hl=nl&sa=X&ei=_g_LUNr7G4zcsgbw4IHYBQ&ved=0CE4Q6AEwAw#v=onepage&q=verbod%20van%20willekeur&f=false

http://books.google.nl/books?id=ietPrLixthIC&pg=PA91&lpg=PA91&dq=verbod+van+willekeur&source=bl&ots=Qs3CxgMxL4&sig=y6mAU4a3ARQxHmg_FRGLAAgub0w&hl=nl&sa=X&ei=_g_LUNr7G4zcsgbw4IHYBQ&ved=0CFMQ6AEwBA#v=onepage&q=verbod%20van%20willekeur&f=false


Vragen aan Advocaat:

http://www.uw-advocaat.com/stel-een-juridische-vraag-ok.html?PHPSESSID=482e48213a9f25dd97c526d0795446d5 

1. Mag een gemeente een bepaalde gedraging in een bepaald gebied dmv een gewoon bord verbieden zonder dat dit verbod gebaseerd is op enig formeel en gepubliceerd besluit?

2. Mag die gemeente vervolgens weigeren om dit verbod te handhaven zonder het betreffende bord te verwijderen, zodat sommige burgers menen dat het het verbod van kracht is - en het zodoende respecteren - maar andere burgers niet, zonder dat zij worden bekeurd?


Van: Schurink, Rein [mailto:r.j.t.schurink@amstelveen.nl]
Verzonden: donderdag 15 november 2012 14:32
Aan: Robert van Waning
Onderwerp: RE: Herhaald verzoek: Handhaaf alstublieft het alcoholverbod op het Stdsplein.

Geachte heer van Waning,

In antwoord op uw verzoeken van 2 en 12 november 2012 inzake handhaving van alcoholverbod en scooterverbod op het Stadsplein te Amstelveen delen wij U het volgende mede:
 
Wij willen niet in herhaling vallen in onze beantwoording van uw frequente handhavingsverzoeken. U kent de kaders waarbinnen wij werken en wij hebben daar niets aan toe te voegen. Wij handhaven wel degelijk, maar we hebben niet de illusie dat we daarbij aan het door u verlangde niveau zullen kunnen voldoen. En overigens wil het gemeentebestuur dat ook niet, zoals we al eerder onder opgave van redenen aan u hebben laten weten.
 
Onze handhavers nemen alle avonden dat ze dienst hebben het Stadsplein mee in hun ronde. Bij constatering van het gebruik van alcohol wordt opgetreden.

Met betrekking tot het optreden tegen geparkeerde scooters richten we ons op scooters die voor de ingang/uitgangen geparkeerd staan en zo een gevaarlijke situatie opleveren. Van onze handhavers horen we dat het probleem beperkt is. Wij weten dat dat in uw visie onvoldoende is, maar we zullen daar geen verandering in aanbrengen.
 
met vriendelijke groet,
namens het gemeentebestuur,
 
mr. R.J.T. Schurink
gemeentesecretaris


Van: Robert van Waning [mailto:post@wanhan.nl]
Verzonden: maandag 12 november 2012 15:52
Aan: Raat, H.J.W.; Voorbij, Frank; Schurink, Rein; Gemeentebestuur; Postbus Griffie
CC: sbouma@cardanus.nl; jantinevandenhoven@dichtbij.nl; J.Prins@nationaleombudsman.nl; redactie@amstelveensnieuwsblad.nl; 'Wijkplatform.info - Stadshart'
Onderwerp: Herhaald verzoek: Handhaaf alstublieft het alcoholverbod op het Stdsplein.
(Afschriften naar Raadsgriffier, Wijkplatform Stadshart, Nationale Ombudsman en Amstelveens Nieuwsblad.)

Geachte Wethouder Raat, Gemeentesecretaris Schurink en heer Voorbij (hoofd afdeling Handhaving),

Omdat u het niet nodig heeft gevonden om te reageren op mijn verzoek dd 2 november jl om het alcoholverbod op het Stadsplein te willen handhaven, herhaal ik dit verzoek nogmaals, dit keer met een verwijzing naar foto’s die ik vanochtend (maandag 12 november 2012), gisterochtend en in de afgelopen weken heb genomen op het Stadsplein tegenover de Schouwburg,  op het ‘voetpad’ onder de luifel van de Openbare Bibliotheek en bij de ingang van het winkelcentrum ‘Rembrandthof’. 

Op deze foto’s zijn duidelijk de overblijfselen te zien van stelselmatige overtredingen van het alcoholverbod in de openbare ruimte.

Dit alcoholgebruik geeft niet alleen geluidsoverlast voor de omwonenden, voor bezoekers van het winkelcentrum en voor cursisten en leerlingen van de Volksuniversiteit en van de Muziek-, schilder- en dansschool, maar leidt tevens tot een zichtbare verloedering van het Stadsplein.

U kunt deze foto’s bekijken op de website ‘Amstelveen Kan Beter’ door te klikken op de volgende link:
http://www.amstelveenkanbeter.nl/18-Stadsplein-alcoholverbod/index.html
 
Ik verzoek u nogmaals om de hinder, overlast en vervuiling op en rond het Stadsplein te willen bestrijden door de daar geldende verbodsbepalingen met betrekking tot alcoholgebruik en (snor)scooters (rijdende én geparkeerde) te willen handhaven.

Ik hoop werkelijk niet dat het nodig zal zijn om nogmaals een klacht in te dienen bij de Nationale Ombudsman omdat u blijft weigeren om een geldend en noodzakelijk verbod te handhaven.

Vriendelijke groet,

Robert van Waning,
Amstelveen.